1 Koningen
1-7 Profetie over en einde van Baësa 8-14 Ela koning over Israël 15-20 Zimri koning over Israël 21-28 Omri koning over Israël 29-33 Achab wordt koning over Israël 34 Jericho herbouwd
Profetie over en einde van Baësa

1Toen kwam het woord van de HEERE tot Jehu, de zoon van Hanani, met betrekking tot Baësa: 2Omdat Ik u uit het stof verheven heb en u tot leider over Mijn volk Israël aangesteld heb, maar u in de weg van Jerobeam gegaan bent en Mijn volk Israël deed zondigen om Mij met hun zonden tot toorn te verwekken, 3zie, daarom ga Ik de nakomelingen van Baësa en de nakomelingen van zijn huis wegvagen. Ik zal uw huis als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, maken. 4Wie van Baësa in de stad sterft, zullen de honden opeten, en wie van hem in het veld sterft, zullen de vogels in de lucht opeten. 5Het overige nu van de geschiedenis van Baësa, wat hij gedaan heeft en zijn macht, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 6Baësa ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in Tirza. Zijn zoon Ela werd koning in zijn plaats. 7En ook was het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tot Baësa en tot zijn huis gekomen, en dat vanwege al het kwaad dat hij in de ogen van de HEERE gedaan had door Hem tot toorn te verwekken met het werk van zijn handen, omdat hij net als het huis van Jerobeam was, maar ook omdat hij dat gedood had.

De geschiedenis van het tienstammenrijk verloopt tragisch. De ene na de andere koning wordt vermoord, “bloedbad volgt op bloedbad” (Hs 4:22Vloeken, liegen,
moorden, stelen en overspel plegen
zijn wijdverbreid;
bloedbad volgt op bloedbad.
)
. De moordenaar wordt de nieuwe koning. Allen zondigen en doen Israël zondigen, maar het wordt steeds erger. Baësa hoort door de profeet Jehu Gods oordeel over zich uitspreken. Als koningen ontrouw worden, zendt God profeten. Als koningen ontrouw worden, wordt ook het volk ontrouw. De profeet Jehu – dus niet te verwisselen met de koning die deze naam draagt – is de zoon van de profeet Hanani (2Kr 16:77In die tijd kwam de ziener Hanani naar Asa, de koning van Juda, en zei tegen hem: Omdat u op de koning van Syrië gesteund hebt, en niet gesteund hebt op de HEERE, uw God, daarom is het leger van de koning van Syrië uit uw hand ontkomen.).

Jehu herinnert Baësa eraan dat hij zijn koningschap niet aan zichzelf, maar aan God te danken heeft en dat God hem daartoe vanuit diepe nederigheid heeft verheven. We zien hier weer Gods soevereiniteit enerzijds en de verantwoordelijkheid van de mens anderzijds. Wij kunnen die twee zijden niet combineren, maar God weet ze samen te brengen, waarbij aan beide zijden volkomen recht wordt gedaan. Baësa is een knecht die koning is geworden. Onder zo iemand lijdt de aarde (Sp 30:21-22a21Onder drie dingen siddert de aarde,
ja, onder vier [die] ze niet kan dragen:
22onder een dienaar, als hij koning wordt,
onder een dwaas, als hij met brood verzadigd wordt,
)
. Ware koningen worden niet alleen door God aangesteld, maar ook door Hem gevormd.

Hij heeft de HEERE tot toorn verwekt, zoals Jerobeam. Hij wordt ook geoordeeld vanwege de moord op Jerobeam (vers 77En ook was het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tot Baësa en tot zijn huis gekomen, en dat vanwege al het kwaad dat hij in de ogen van de HEERE gedaan had door Hem tot toorn te verwekken met het werk van zijn handen, omdat hij net als het huis van Jerobeam was, maar ook omdat hij dat gedood had.). God had wel bepaald dat Jerobeams huis uitgeroeid moest worden. Hij heeft daarvoor zelfs Baësa verhoogd uit het stof om vorst te zijn (vers 22Omdat Ik u uit het stof verheven heb en u tot leider over Mijn volk Israël aangesteld heb, maar u in de weg van Jerobeam gegaan bent en Mijn volk Israël deed zondigen om Mij met hun zonden tot toorn te verwekken,). Maar de motieven waarmee Baësa heeft gedaan, klopten niet. Hij heeft het voor zichzelf gedaan en niet omdat de HEERE het had gezegd. Ook heeft hij meer gedaan dan de HEERE had gezegd. Het oordeel was aangekondigd over al wat mannelijk was (1Kn 14:1010daarom, zie: Ik ga kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en Ik zal van Jerobeam alle mannen in Israël uitroeien, zowel de gebondene als de vrije, en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegvegen, zoals uitwerpselen worden weggeveegd, totdat het helemaal vergaan is.), maar Baësa heeft het hele huis van Jerobeam gedood.

We zien vaker dat een werktuig in de hand van God, door wie Hij het oordeel over anderen laat uitvoeren, zelf ook door God wordt gestraft. Jehu brengt Gods oordeel over het huis van Achab, maar wordt ook zelf geoordeeld vanwege de boosheid waarmee hij dat doet. Ook de Assyriërs die door God worden gebruikt om Zijn volk te tuchtigen, worden op hun beurt door God geoordeeld, vanwege hun goddeloze gedrag (Js 10:7,12-167Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
)
.


Ela koning over Israël

8In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, in Tirza, [en hij regeerde] twee jaar. 9Zimri, zijn dienaar, bevelhebber over de helft van de strijdwagens, smeedde een samenzwering tegen hem, toen hij in Tirza was en zich in het huis van Arza, de hofmeester in Tirza, dronken aan het drinken was. 10Toen kwam Zimri binnen, sloeg hem neer en doodde hem, in het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, en hij werd koning in zijn plaats. 11En het gebeurde, toen hij koning geworden was en op zijn troon was gaan zitten, dat hij heel het huis van Baësa doodde. Hij liet er geen man van overblijven, zelfs niet van zijn bloedverwanten en van zijn vrienden. 12Zimri vaagde dus het hele huis van Baësa weg, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu, 13vanwege alle zonden van Baësa, en de zonden van Ela, diens zoon, die zij begaan hadden, en die zij Israël hadden laten begaan, om de HEERE, de God van Israël, met hun nietige [afgoden] tot toorn te verwekken. 14Het overige nu van de geschiedenis van Ela, alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

Baësa sterft een natuurlijke dood. Het lijkt wel een uitzondering dat hij niet wordt vermoord. Ela, zijn zoon, wordt koning. Het enige wat van hem vermeld wordt, is dat hij thuis is, en dus niet bij het leger, en zich daar bedrinkt. Hij is een losbol die zijn macht gebruikt om feest te vieren.

Zimri, een legeroverste, ziet zijn kans om aan de macht te komen. Hij gebruikt zijn militaire macht om het huis van Baësa uit te roeien. Daardoor voltrekt hij het door God uitgesproken vonnis, maar hij handelt met dezelfde motieven als destijds Baësa.


Zimri koning over Israël

15In het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen, in Tirza, terwijl het volk voor Gibbethon, dat aan de Filistijnen toebehoorde, gelegerd was. 16Het volk, dat [daar] gelegerd was, hoorde zeggen: Zimri heeft een samenzwering gesmeed en ook de koning gedood. Daarom maakte heel Israël op die dag in het legerkamp Omri, de bevelhebber van het leger, koning over Israël. 17Omri trok op, en heel Israël met hem, weg van Gibbethon, en zij belegerden Tirza. 18En het gebeurde, toen Zimri zag dat de stad ingenomen was, dat hij naar de burcht van het huis van de koning ging, en het huis van de koning boven zich met vuur verbrandde, zodat hij stierf, 19vanwege zijn zonden, die hij begaan had door te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE, door te gaan in de weg van Jerobeam en zijn zonde, die hij begaan had door Israël te doen zondigen. 20Het overige nu van de geschiedenis van Zimri, en zijn samenzwering, die hij gesmeed had, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

Zimri is geen lang koningschap beschoren. Slechts zeven dagen heeft hij aan de macht geroken. Dan is ook zijn einde daar. Het leger grijpt nu de macht en maakt Omri koning. Het beleg tegen de Filistijnen wordt opgeheven om Zimri zijn macht te ontnemen. Een burgeroorlog ontstaat in plaats van een gemeenschappelijk optrekken tegen de vijand. Zimri is zo in het nauw gebracht, dat hij zelfmoord pleegt. Hij verbrandt zichzelf. Na Saul is hij de tweede koning die zelfmoord pleegt.


Omri koning over Israël

21Toen raakte het volk van Israël verdeeld in twee helften. De [ene] helft van het volk stond achter Tibni, de zoon van Ginath, om die koning te maken, en de [andere] helft stond achter Omri. 22Maar het volk dat achter Omri stond, was sterker dan het volk dat achter Tibni, de zoon van Ginath, stond. Toen stierf Tibni en werd Omri koning. 23In het eenendertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël [en regeerde] twaalf jaar. In Tirza regeerde hij zes jaar. 24Hij kocht de berg Samaria van Semer voor twee talenten zilver. Hij bouwde [een stad] op de berg en gaf de stad die hij [erop] gebouwd had een naam overeenkomstig de naam van Semer, de eigenaar van de berg: Samaria. 25Omri deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij deed meer kwaad dan allen die er vóór hem geweest waren. 26Hij wandelde in heel de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken met hun nietige [afgoden]. 27Het overige nu van de geschiedenis van Omri, wat hij deed, en zijn macht, die hij uitoefende, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 28Omri ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in Samaria, en zijn zoon Achab werd koning in zijn plaats.

Omri is niet direct vorst over heel Israël. Er is een deel van Israël dat Tibni volgt, mogelijk een vreedzaam man. Omri is de sterkste, dat wil zeggen heeft letterlijk de langste adem. Tibni is waarschijnlijk een natuurlijke dood gestorven. Als hij gestorven is, is het volk dat Tibni volgt zonder leider en moet zich onderwerpen aan Omri en het volk dat voor hem heeft gekozen. Omri wordt koning. Hij bouwt de stad Samaria en vestigt zich daar.

Met Omri breekt een periode aan die naar een nog erger dieptepunt voert. Van hem staat dat hij het erger maakt dan allen die voor hem geweest zijn (vers 2525Omri deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij deed meer kwaad dan allen die er vóór hem geweest waren.). Hij heeft de afgoderij niet alleen gehandhaafd, maar die bevólen. Hij heeft er inzettingen voor het hele volk aan verbonden en daardoor de afgoderij verplicht gesteld voor het hele volk (Mi 6:16a16Want men houdt zich aan de verordeningen van Omri
en aan alles wat het huis van Achab gedaan heeft.
U gaat voort in hun opvattingen,
zodat Ik u overgeef aan de verwoesting,
en haar inwoners [maak] tot een aanfluiting.
Zo zult u de smaad van Mijn volk dragen.
)
. Het is precies wat we in het zendschrijven aan de gemeente in Thyatira vinden (Op 2:2020Maar Ik heb tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt Mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten.), waar profetisch van de rooms-katholieke kerk sprake is, die ook haar inzettingen aan het volk oplegt.


Achab wordt koning over Israël

29En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, in Samaria, tweeëntwintig jaar. 30Achab, de zoon van Omri, deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, meer dan allen die er vóór hem geweest waren. 31En het gebeurde (was het gering dat hij in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, ging?) dat hij [ook nog] Izebel tot vrouw nam, de dochter van Ethbaäl, de koning van de Sidoniërs, en dat hij de Baäl ging dienen en zich daarvoor neerboog. 32Hij richtte voor de Baäl een altaar op in het huis van de Baäl, dat hij in Samaria gebouwd had. 33Ook maakte Achab een gewijde paal, zodat Achab nog meer deed om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.

Na de dood van Omri wordt zijn zoon Achab koning. De met Omri ingezette periode ontwikkelt zich met spoed in nog erger richting. Achab is nog slechter dan zijn vader. Hij voert het volk naar een absoluut dieptepunt in zijn geschiedenis. De zonde van Jerobeam verbleekt bij wat deze man presteert door wat hij invoert te midden van het volk van God. Hij trouwt met de regelrechte afgodendienares Izebel. Die vrouw staat er garant voor dat vanaf dat ogenblik Baäl de officiële god van Israël wordt. Achab bouwt een huis en een altaar voor Baäl. Wat een afschuwelijke belediging voor de God van Israël. Dit is erger dan alles wat er voordien is gebeurd.


Jericho herbouwd

34In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho [weer] op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste [zoon] Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.

De regering van Achab over Israël, of misschien beter de regering van Izebel over Israël, is mogelijk omdat koning en volk Gods Woord aan de kant hebben geschoven. Het laatste vers van dit hoofdstuk maakt dat duidelijk. Iemand uit Bethel (= huis van God), Hiël (= God leeft), is zo vermetel om het vijf eeuwen tevoren door God uitgesproken woord te trotseren en Jericho te herbouwen als een vestingstad (Jz 6:2626In die tijd liet Jozua [het volk] zweren: Vervloekt is die man voor het aangezicht van de HEERE die opstaat om deze stad Jericho te herbouwen. Laat hij haar fundering leggen op zijn eerstgeboren zoon en haar poorten oprichten op zijn jongste zoon!). De stad zelf is al langer weer bewoond.

De mens mag dan wel vergeten zijn wat God heeft gezegd, God vergeet niet wat Hij heeft gezegd. Hij doet wat Hij heeft gezegd. Als de man de fundamenten van Jericho heeft gelegd, sterft zijn oudste zoon. Er gaat echter geen lampje bij hem branden. Noest werkt hij verder aan de uitvoering van de vloek. Als hij de poorten heeft opgericht, sterft ook zijn jongste zoon. Nog steeds is er geen herinnering aan wat God eens heeft gezegd. Voor ieder die trouw wil zijn aan Gods Woord, ligt in wat hier gebeurt een waarschuwing en een bemoediging: God maakt Zijn Woord waar, zowel in oordeel als in zegen.

De vijf koningen van dit hoofdstuk laten een neergaande lijn zien. De oorzaak is het vergeten van God, het geen rekening houden met wat Hij heeft gezegd.


Lees verder